Nederlandse Baardkuif kriel

Nederlandse Baardkuif kriel  is met zijn gewicht voor de haan van 900 tot 1000 gram en de hen 700 tot 800 gram een kleine uitgave van zijn grote broer en zus de Nederlandse Baardkuif hoenders. Het is een zeer rustig ras. Een evenbeeld van zijn grote familie. Meer liefhebbers van dit mooie ras is dringend gewenst.

De Baardkuif kriel is erkend in de kleuren, zilver zwart gezoomd, goud zwart gezoomd, geel wit gezoomd en de enkel kleurige in wit, zwart, blauw gezoomd en de koekoek kleurige. 

De Ned. Baardkuif kriel fok ik in alle bovenstaande erkende kleuren, tevens in de kleur tollbont. Deze is bij de dwerhoenders nog niet erkend. Tollbont is een kleurslag uit het voormalige Oost Duitsland die alleen bij de grote Baardkuiven erkend is.

In Duitsland is reeds de wildkleur baardkuif kriel in de standaard opgenomen. De eerste dieren van deze kleur lopen thans bij bij in de hokken, en zal ik tezijnertijd voordragen ter erkenning.

In Duitsland zijn de Ned. Baardkuifkrielen bekend onder de naam Zwerg-Paduaner. Ze zijn in Duitsland erkend in alle kleuren, net als in Nederland. Het ras wordt Europees niet als Nederlands ras gezien, wat het ook niet is, naar mijn mening gezien zijn oude naam Paduaner, wat ook in de rest van Europa nog steeds gebruikt word. Ook de kleur geel wit gezoomd hete vroeger chamois.

 

Standaard eisen: Ned. Baardkuif krielen. (Bron KLN.)  Deze gelden alleen voor diegenen welke met hun dieren naar tentoonstellingen gaan, of hoge eisen aan zijn of haar Baardkuifkrielen steld.

Herkomst:  Engeland 19e eeuw , in Nederland begin 20e eeuw.

Algemene indruk:  Landhoen type met een grote kuif en een volle baard.

Vormbeschrijving: 

Romp:  Breed in de schouders, naar achteren iets smaller wordend.

Kop:  flink breed tussen de ogen met sterk ontwikkelde schedelknobbel, waarop de kuif staat ingeplant; gezicht fijn van weefsel, onbevederd; rood.

Kuif:  in verhouding groot; vol en dicht bevederd, het zicht niet belemmerend; symmetrisch van vorm; van voren een vrij groot, slechts licht gewelfd vlak vormend, van achteren omsluit de kuif de kop en de bovenhals; kuifveren lang en smal, gelijken in vorm op die van het halsbehang.

Kam:  ontbreekt.

Snavel:  krachtig, middellang, matig gebogen aan de punt; grote, iets boven de welving van de snavel uitstekende, opengespalde neusgaten; licht blauwachtig hoornkleurig tot donker hoornkleurig, al naar de kleur van het gevederte.

Kinlellen:  nauwelijks ontwikkeld, bedekt door de baard of liever geheel ontbrekend.

Baard:  krachtig ontwikkeld, vol en dicht bevederd, omsluit de keel geheel.  Door de insnoering op de plaats waar normaal de kinlellen zitten, onstaat een min of meer driedelige baard.

Oorlellen:  geheel door de baard bedekt; klein, witachtig.

Ogen: groot en vol, levendig; oranje rood tot bruinrood.

Hals:  middellang tot ruim middellang, rechtop gedragen, slechts weinig doch sierlijk gebogen; halsbehang lang en vol en vrij dik aangezet tot vlak bij de kop, door de achterwaartse groei van een deel van de halsbevedering.

Rug en zadel:  ruim middellang, over de gehele lengte voldoende breed, tussen de schouders enigszinds afgeplat; loopt iets af naar de staart en gaat daarin over met een kortronde, stompe hoek; zadelbehang breed, rijk ontwikkeld, de vleugeleinden bedekkend.

Borst:  van terzijde gezien enigszinds naar voren gedragen; vol, breed, tamelijk diep en goed gerond.

Vleugels:  groot, vrij lang en breed, tamelijk aangetrokken en enigszins schuin naar beneden gedragen, losjes rustend op de flankveren zonder af te hangen.

Schouders:  breed, goed gerond.

Staart:  stuurveren breed, tamelijk gespreid en middelhoog gedragen; sikkels fraai gebogen, lang en breed; staartdekveren talrijk en tot onder toe breed; de gehele staartpartij rijk ontwikkeld.

Achterlijf:  tamelijk gevuld.

Dijen:  middellang, vrij sterk met goed aansluitende bevedering; voldoende uit elkaar en recht onder het lichaam geplaatst.

Loopbenen en tenen:  vrij krachtig, middellang, glad, leiblauw, al naargelang de veerkleur varieert de kleurdiepte; vier tenen, kleur gelijk aan die van de loopbenen.

Bevedering:  goed ontwikkeld, vlak aanliggend maar niet te krap; donspartij normaal ontwikkeld.

Eventuele verschillen tussen haan en hen:  De  verschillen zijn, behalve de secundaire geslachtskenmerken, vooral gelegen in de struktuur van de kuifveren. De kuifveren van de hen zijn breed en fraai gerond. Daardoor is de kuif van de hen bolrond van vorm; vast, goed gesloten en recht op de kop geplaatst.

Conditioneren:  Bij allekleurslagen is het conditioneren van de kuif en baard in beperkte mate toegestaan, mits de steunveren zoveel mogelijk ongemoeid blijven, zodat de steun aan de kuif niet verloren gaat.

Ernstige fouten:  Te smalle of te plompe bouw; korte rug; te kleine, losse, scheve, te diep doorhangende, van boven openvallende of gespeten kuif; onvoldoende baardontwikkeling; zichtbare kinlellen. Een zodanige kuifvorm dat het zicht ernstg belemmerd wordt.

Fouten:  Bovenstaande ernstige fouten in mindere mate voorkomend.

Diskwalificatie:  baardkuifhoen krielen met ontstoken oogleden.

Gewicht:       Haan: 900 - 1000 gram.  Hen: 700 - 800 gram.

Ringenmaat:  Haan: 13 mm.               Hen: 12 mm.

Kleurslagen: De kleurslgen die ik fok zijn Goud zwart gezoomd, Geelwit gezoomd, zilverzwart gezoomd, en de eenkleurigen Wit, Zwart, Blauw gezoomd en Koekoek, De beschrijving hiervan wordt vermeld bij de diverse kleurslagen Baardkuif krielen.